potloodkunst





Te gek voor woorden!





Blaadjes per m2





Het is weer lente. Het heeft even geduurd, maar ook dit jaar krijgen de bomen weer groene blaadjes. Nu is het interessant om te weten wat zo'n boom nu aan blaadjes maakt. Aangezien bepaalde natuurbeheerders alles willen weten van wat ze aan natuur beheren weten we hoeveel blaadjes er aan een boom groeien.


Een grote monumentale zomereik heeft zomaar 200.000 bladeren, per blaadje 0,4 gram. Dit betekent dat er in de herfst zo'n 80 kg eikenbladeren per boom naar beneden stort. Een fikse beuk doet daar nog een schepje bovenop. Het is in de natte zomer de ideale boom om onder te schuilen met maar liefst 670.000 bladeren á 0,3 gram per blaadje vormt het bladerdek van de beuk een waterdichte paraplu. Het is maar goed dat de bladeren niet als een klomp naar beneden storten. Tweehonderd kilo ineens en dan ook nog van een flinke hoogte zou een beetje teveel van het goede kunnen zijn.


Albertus Seba





Albertus Seba was een succesvol apotheker die van 1700 tot 1736 niet enkel een apotheek had, maar vooral beroemd werd vanwege zijn Hobby. Zijn succes als apotheker gaf hem de kans om zijn echte passie na te streven: het verzamelen. Seba rende, wanneer de schepen aangekomen waren, naar de haven om te onderhandelen met zeilers en scheepschirurgen over de exotische planten en dierlijke producten die hij zou kunnen gebruiken voor het bereiden van medicijnen. Naast de geneeskrachtige elementen en kruiden had hij een grote verzamelwoede die van alles besloeg; zoogdieren, vogels, schelpen, insecten en slangen. Hoe exotischer hoe beter.
Dit bleef uiteraard niet onopgemerkt. Na tien jaar van geneeskrachtige recepten schrijven en verzamelen werd hij opgemerkt door tsaar Peter de Grote en werd zijn hofleverancier (het gerucht gaat dat Seba soms betaald werd in verse gember). In eerste instantie leverde hij vooral geneeskrachtige poeders, maar al spoedig kwam Peter de Grote te weten dat Albertus Seba een hele mooie verzameling had. Nu was Peter de Grote ook zelf verzamelaar al verzamelde hij ook andermans verzamelingen. In dit geval werd er na een lange correspondentie overeenstemming bereikt over de aankoop (15.000 gulden) en werd de gehele verzameling van Albertus verscheept in 17 kisten naar de tsaar. Daarmee werd Seba op slag een schatrijk man. Hij begon vrolijk aan een tweede verzameling en liet meteen ook een aantal boekwerken met gravures gebaseerd op zijn verzameling maken.

Het complete naslagwerk heette heel ‘bescheiden’ Locupletissimi rerum naturalium thesauri accurata descriptio - Naaukeurige beschryving Van het schatryke kabinet der voornaamste seldzaamheden der natuur. Linnaeus bezocht het kabinet van Albertus Seba in 1735 het jaar voor Seba’s dood. Linnaeus zou in zijn werk maar liefst 284 keer citeren uit het werk van Seba. De eerste twee delen van Seba's collectie werden nog uitgegeven toen hij leefde, het derde en vierde deel pas ver na zijn dood toen zijn tweede verzameling uiteen gevallen was door een openbare veiling. Het waren stuk voor stuk bijzondere boeken waarin wetenschap, verbeelding en kunstzinnige interpretatie verweven waren. De platen werden gemaakt door een keur van kunstenaars en graveurs die alles met een groot oog voor detail en een uiterste precisie in een mooie rangschikking weergaven. Een van de boeken gaat over zeeleven en werd voorbereid door Peter Artedi. Hij maakte zijn werk echter niet af. Na een etentje bij Albertus Seba had hij zoveel gedronken dat hij in de gracht viel en verdronk. In totaal werden er door verschillende kunstenaars 446 platen gemaakt in zwart-wit. Omdat kleurige platen beter verkochten werden de afbeeldingen later met de hand nog ingekleurd. Dat alles maakt de Naaukeurige beschryving Van het schatryke kabinet der voornaamste seldzaamheden der natuur van Seba tot een meesterwerk van onschatbare waarde.

Pinkzout





Pinkzout, nee ik had er ook nog nooit van gehoord en toch bestaat het. De jassen die gebruikt worden voor de vossenjacht zijn rood. Het pinkzout wordt gebruikt om deze katoenen jassen te kleuren. Een dergelijke jas wordt daarom in Engeland een Pinkcoat genoemd wat dus helemaal niets met roze of bij de pinken zijn te maken heeft.

fabergé eieren






Je hebt eieren en je hebt Fabergé eieren. Het fijne onderscheid is dat je bij Fabergé eieren je jezelf niet hoeft af te vragen wat er eerst was, want er is namelijk geen kip aan te pas gekomen. Fabergé eieren zijn kunstwerkjes zoals je niet veel zal zien (als je er al ooit een te zien krijgt). Met veel juwelen, edelmetalen en gesteenten. Ieder ei heeft zijn eigen naam en geschiedenis. Zo heet dit mooie groene exemplaar het Kelch Apple Blossom Egg of ook wel Jade Egg (ondanks dat het ei niet van jade maar van nefriet gemaakt is). Dit ei werd in 1901 door Fabergé gemaakt voor meneer Kelch die er mevrouw Kelch mee wilde verrassen. Het ei is ongeveer 14 cm lang, 10 cm hoog en staat op pootjes. Maar dan niet zomaar pootjes, nee het zijn rood en groen gouden bloesemtakken in de knop die het ei in de lucht tillen. De bloesems zijn van wit en rozig emaille met als hart een rose diamant. Het is al met al een heel mooi voorbeeld wat er gebeurt als art nouveau en japanse invoeden elkaar vinden in een ontwerp. Nu schijnt het zo te zijn dat het ei niet een op zich zelf staand cadeau bedoelt was, maar ook als verpakking diende voor een ander sieraad dat zijn opwachting maakte op een bedje van fluweel aan de binnenzijde. Wat het was is helaas niet bekend. Het was hoogstwaarschijnlijk ook iets met goud of diamanten.



Het hele circus rondom de juweel-eieren begon in 1885. De Russische Tsaar (de een na laatste) gaf zijn favoriete juwelier Peter Karl Fabergé de opdracht om een paasei-juweel te maken als gift voor zijn vrouw. Dit viel zo goed in de smaak dat het een ware traditie werd. De laatste Tsaar, Alexander III liet zelfs twee eieren per jaar maken door Fabergé, iets wat deze graag deed. In totaal maakte hij met zijn atelier vele eieren die overigens ook door andere zeer rijke personen gekocht werden. Het verhaal gaat dat zelfs de Tsaar niet wist wat voor ei hij zou gaan geven, noch wat voor verrassing het zou bevatten. In totaal zijn er (zover bekend) nog rond de 50 eieren bewaard gebleven. Het atelier van Fabergé werd gesloten na de Russische revolutie (1918) en (op een latere telg na) werden er vervolgens geen Fabergé-eieren meer gemaakt. Dat maakt de bestaande eieren zo kostbaar en uniek dat er nu nog steeds mensen speuren naar de verdwenen exemplaren. Zo werd er in 2001 nog een ei teruggevonden. Het was het laatste, nooit voltooide ei voor de tsarina.


rimpelvingers





Rimpelvingers en rimpelige tenen na het badderen of lekker lang zwemmen heeft iedereen wel eens. “De huid heeft zeker teveel water opgenomen” is lang de redenatie geweest, maar dit blijkt dus niet te kloppen. Dode mensen krijgen (vraag me niet hoe ze hier achter zijn gekomen) geen rimpelhanden. Iets minder luguber, ook lepra patiënten of mensen met een getransplanteerde vinger zijn vrij van rimpelverschijnselen. Nee, het is ons centrale zenuwstelsel dat er voor zorgt dat onze handen aan het rimpelen slaan. De zenuwen laten de bloedvaten in onze vingertoppen vernauwen zodat er rimpels ontstaan. Gemiddeld ontstaan die rimpellingen al na drieënhalve minuut. Met ouwe vrouwtjeshanden tot gevolg. Maar waarom? Meer grip op de natte ondergrond zou zomaar het goede antwoord kunnen zijn. Het blijkt namelijk zo te zijn dat je met rimpelige vingertoppen sneller bent in het grip krijgen op voorwerpen om ze te verplaatsen. Omdat het vlakke oppervlak van de vinger water niet snel afvoert ontstaan de rimpels vooral daar aan de zijkant van de vingers is het bijna nooit rimpelig (tenzij je natuurlijk echt oud vel hebt). De rimpels vormen een soort afvoerkanaaltjes waardoor water sneller afgevoerd kan worden. Het is dus duidelijk dat rimpels in natte omstandigheden voordeel opleveren. In droge omstandigheden geldt dat niet. Dat beantwoord voor mij meteen de vraag waarom we niet altijd met rimpels rondlopen. Samentrekken van huid (want dat is wat er feitelijk gebeurt als de bloedvaten zich vernauwen) kost energie en als het toch niet nuttig is kun je die energie beter aan iets nuttigs besteden. Zoals lekker slapen.

Jónófón






Een Jonofón is een hele basic grammofoonspeler ontworpen door de designer Jón HelgiHólmgeirsson. Het bijzondere ding dat erg doet denken aan zo’n heel ouderwetse  grammofoonspeler met toeter en stokdove  terriër schijnt ook nog te werken ook. Maar hoe dan? Nou, laat ik daar nou net wat informatie over bij elkaar gezocht hebben.

Een grammofoonspeler produceert enkel een fatsoenlijk geluid als draaisnelheid en de druk van de naald op de grammofoonplaat kloppen op ieder moment van afspelen. Anders wordt het maar een wazige warboel. Zo schijnt de aandrijving van de grammofoonspeler niet direct met een motortje te kunnen, maar moet dit via een set van wieltjes of asjes lopen om een gelijkmatige draaisnelheid te krijgen. De naald ( liefst diamant, maar vaker was het een saffieren naald) moet redelijk recht in de groeven lopen. 
Zo wordt beschadiging van de plaat voorkomen en krijg je het beste geluid. Die zelfde naald moet ook niet te zwaar op de plaat rusten. Was bij oude opnamen wat meer druk nodig (>10 gram), een leuke vintage plaat van Alfred Jodocus Kwak speel je met het grootste gemak af met een naalddruk van 4-8 gram. Versterken en klaar is Kees, Jan of wie dan ook. Dat versterken was eerst ook een probleem ( totdat ze het oplosten met magnetisch acacadrabra), vandaar de grote toeter op de grammofoon. De Jonofón is verkrijgbaar in de betere designwinkel. Dit product wordt geleverd exclusief hond.

hoedenmaker







Als je hoge hoed zegt denkt iedereen aan een hoge zwart glimmende hoed. Maar wat voor een hoed is dat dan? vroeg ik me af. Grote kans dat je denkt aan een zogenaamde Hoge zije, een hoed gemaakt van zwarte zijde. Deze soort hoed komt vanaf 1797 in de mode en beleeft letterlijk zijn hoogtepunt (tot wel meer dan 20cm) rond 1850. De Hoge Zije werd gemaakt van kaasdoek, linnen, molton en schellak. Met diverse modellen strijkijzers werd om een vijfdelige houten mal, de schellak in het linnen gebakken en overtrokken met een zwarte zijden pluche. Er waren zeer exclusieve modellen, waaronder bijvoorbeeld een stijlvol model met een binnenrand van slangenleer. Zoals met alle mode was de hoge hoed aan verandering onderhevig. Werden de rechte hoeden eerst nog hoger en hoger tot ware kachelpijpen, later werden ze weer lager en een beetje getailleerd. Maar even terug naar de eerste hoge hoeden. 


De eerste hoge hoeden uit de 16e eeuw waren van een heel ander slag. Het materiaal dat voor deze eerste generatie hoge hoeden werd gebruikt was vilt gemaakt uit beverbont. Aangezien de Latijnse naam voor de bever Castor Fiber is werden de hoeden Kastooren genoemd. Veel meer dan tegenwoordig besteedden mannen hun tijd in de buitenlucht, waardoor hun hoed goed bestand moest zijn tegen alle natte elementen van het weer. Het belangrijkste aan een goede hoed was dat hij zacht aanvoelt, door overmatige lijm niet te hard is, geen water opzuigt en daarnaast schoon en duurzaam zwart is. De waterdichte eigenschappen van beverpels waren ideaal voor het maken van dergelijke stijlvolle hoeden. Er is niet heel veel bekend over de samenstelling van een Kastoor-hoed. Het weinige dat ik heb kunnen vinden komt uit het boek “volledige verhandeling der manufaktuuren en fabrieken” door Johan Hendrik Gottlob van Usti uit 1782 (en later door een kritische hoogleraar voorzien van menig scherpe voetnoot), vertaald uit het hoogduits en gedrukt in Utrecht. Het blijkt dat er hoeden bestonden die geheel uit bevervilt waren gemaakt, maar dat het maken van dergelijke hoeden een hele toer was omdat je niet zo maar van beverhaar vilt kon maken. Het leuke van het boek is dat in de voetnoten deze bewering wordt tegengesproken. Onze kritische hoogleeraar tekent aan dat je makkelijk vilt van beverhaar maakt, maar dat dit niet gedaan wordt omdat het te duur is. Aangezien het boek uit de nadagen van de Kastooren stamt kan dit heel goed kloppen. Bevers waren gewoonweg een schaars goed geworden. Verder meldt het boek dat er Heele Kastooren bestaan met veel beverhaar met daarnaast fijne wol van konijnenhaar en hazenhaar, aangevuld met 'Struiswolle' (geen wol van de struisvogel, maar een soort vilt van oostenrijks geitenhaar) en kameelhaar  Er bestonden ook Halve Kastooren met minder beverhaar en Kwart Kastooren zonder zelfs helemaal een enkele beverhaar.

Het bijzondere is dat naast de bever ook zwarte konijnen en mollen genoemd worden als haar dat gebruikt werd voor de hooge hoeden. Het mollenhaar werd zelfs geprefereerd boven de bevervacht. Maar de mens is gemakzuchtig. Ga maar eens mollen vangen. Bovendien heb je er minstens 20 nodig om net zoveel haar te verzamelen als bij één grote bever. Dat de bever niet uitgeroeid werd scheelde nog maar een haartje. Toen er niet meer genoeg bevers gevangen konden worden voor de hoedenproductie werd er naar andere materialen gezocht. De geminimaliseerde beverpopulatie slaakte waarschijnlijk een zucht van verlichting toen zijde als het beste materiaal uit de bus kwam al bleven er nog tot de tweede wereld oorlog bevervilten exemplaren in productie (na de tweede wereldoorlog verdween de hoge hoed uit het straatbeeld).


Het klinkt groen






Ooit van een letter-kleursynestheet gehoord? Nou ik niet (tot een tijdje terug). Een letter-kleursynestheet ziet of voelt kleuren bij letters. Heel maf. Maar het kan nog gekker. Er zijn ook synestheten die bij geuren kleuren zien of muziek kunnen proeven. Eigenlijk is het een onwillekeurige neurologische aandoening, waarbij de zintuigen met elkaar ‘mengen’, maar zolang het niet storend is kun je het ook een gave noemen. 

Onderzoekers kwamen er achter dat bij ongeveer twee tot vier procent van de bevolking het hersengebied dat het zicht verwerkt, de zogenaamde visuele cortex, overactief is. Er is gesuggereerd dat kleine kinderen bijna allemaal synestheet zijn. De gebieden in de hersenschors waar informatie van de zintuigen verwerkt wordt zijn bij pasgeborenen onderling verbonden, en dan ook nog eens met veel meer verbindingen dan een volwassen persoon normaliter heeft. Een paar maanden na de geboorte verdwijnen er verbindingen en komen de zintuigen meer op zich zelf te staan. Hierdoor verdwijnt de synesthesie verdwijnt. Slechts bij een enkeling behoudt de bijzondere gemixte waarneming en waarbij alle zintuiglijke indrukken op een grote hoop gegooid worden.Jammer voor de rest van de mensheid. zij moeten eerst zwaar aan de drugs voordat een witte pingpongbal in je hand ook naar een beetje naar mandarijntjes ruikt.

iedere spin z'n kruis






De Kruisspin (Araneus diadematus) is een vaak voorkomende spin in de tuin. Volgens een legende verkreeg de Kruisspin de witte kruisvormige tekening op haar rug toen Jezus bij zijn kruisiging werd lastig gevallen door vliegen. Een spin had medelijden met Jezus en spon haar web in zijn doornenkroon zodat de vliegen in haar spinnenweb gevangen werden. Als beloning mocht de spin voortaan een kruis op haar rug dragen. Omwille van deze opvallende tekening werd de Kruisspin tijdens de Middeleeuwen nog gedurende lange tijd vereerd in Europa. Het vereren van toen is tegenwoordig veranderd in onderzoek. Zo zijn wetenschappers er nu achter gekomen hoe de kruisspin aan haar kruis komt.

Bij kruisspinnen is de grondkleur van hun achterlichaam niet bruin, maar min of meer doorzichtig. Tijdens de vertering en bij de afbraak van eiwitten komen gevaarlijke en giftige afvalstoffen vrij. Spinnen breken de afvalstoffen af tot het stofje guanine. Guanine lost niet op in water en vormt daarom kristallen. Een deel hiervan wordt uitgescheiden. Het deel wat achterblijft wordt opgeslagen in speciale cellen in het doorzichtige achtereind van de spin. Als de huid weinig pigment bevat, zijn de topjes van de kristallen zichtbaar in de vorm van witte vlekken, wat bij een Kruisspin vaak resulteert in een kruisvormige witte tekening. In het najaar scheiden nogal wat exemplaren meer guanine af en verliezen daardoor hun witte kruistekening. De Kruisspin kan dan erg verschillen in kleur en tekening. Ze kan bleekgeel, oranjerood tot bruin gekleurd zijn. Hierdoor zijn ze beter gecamoufleerd in een omgeving waarin de bladeren en andere plantendelen vaak bruin verkleuren.


Dit was alweer de 250e blog van Frumingelo!

deathstarsculpture battery Michel de Broin









Uit het niets doemt hij op: De Deathstar. 


                       (muziek zwelt aan: ta ta ta tatataa tatadaa)

                                           
                                                              Alom wordt hij gevreesd in het universum......

                        En nogmaals aanzwellende muziek : ta ta ta tatataa tatadaa)      

  

Maar wat is dat? Deze keer geen krachtig afschrikwekkend wapen met de mogelijkheid om planeten te verwoesten in de vorm van een ingedeukte pingpongbal, nee, Michel de Broin's creatie heeft daar de energie niet meer voor. Zijn kunstwerk is namelijk gemaakt van lege batterijen. Ooit dreven deze kleine energietubes velerlei apparaten aan en waren ze vol chemische pit. Die tijd is nu voorbij. Toch maken ze met z'n allen een krachtig artstatement vol van kleur. Het deed bij mij de vonk overslaan. 

strandvondsten


Meer fantastische vondsten van Jennifer Steen Booher 

Diana Beltran herrera papieren vogels






Je zal maar vogeltjes maken van papier. Eerder schreef ik al eens iets over vogels van crêpepapier, maar Diana Beltran herrera maakt vogels van doodgewoon gekleurd papier. Haar creaties zijn echter allesbehalve doodgewoon en o zo herkenbaar. Neem maar van mij aan dat het een enorm karwei is om een vogeltje te vouwen en te knippen. Om het ergens op te laten lijken is al knap, maar met het vogeltje waar mijn oog op viel was nog iets anders aan de hand. De kunstenares heeft het diertje (dat zich waarschijnlijk tegen het raam heeft doodgevlogen) opengewerkt zodat het interne orgaanstelsel zichtbaar is. 


In één woord: Geniaal Vakvrouwschap


(oeps, toch twee woorden)
Bekijk meer werk van Diana Beltran herrera

talisman vs amulet






Een talisman kan het zelfde zijn als een amulet, maar toch zijn er kleine verschillen. Aan een amulet worden vaker beschermende krachten toegeschreven om te beschermen voor gevaar, waar een talisman het zelfde doet maar dan vanuit een geluksbrengende functie. Het is dus maar net hoe je tegen het leven aankijkt; wil je het kwaad afschermen of lachend omzeilen?

Zowel talisman als amulet hebben zeer uiteenlopende vormen. Van een kippenbotje of een konijnenpootje tot aan een beeltenis van een heilige, aan al deze dingen wordt een waarde toegeschreven. Meestal wordt het voorwerp gedragen door diegene die geluk of bescherming zoekt, maar er is ook een vorm waarbij dit juist niet gebeurt.
In Cartago in Costa Rica bijvoorbeeld staat de Basílica de Nuestra Señora de Los Ángeles. Deze zwarte Maria zou genezing en bescherming bieden tegen lichamelijke ongemakken zoals gebroken ledematen en ontstoken ogen. Gelovigen komen naar deze plek toe om amuletten op te hangen in de vorm van hun zorg. Er zijn ter plekke grote vitrinekasten vol met amuletten van ogen, armen, benen en uiteraard harten.
Natuurlijk zijn er personen die het dragen van een talisman of een amulet maar grote onzin vinden. Die mening is natuurlijk ieders goed recht. De vraag of een amulet of talisman wel echt werkt is eienlijk helemaal niet relevant. Zolang er mensen zijn die positieve kracht ontlenen aan hun eigen kleine voorwerp met bijzondere waarde werkt het. Daar kan geen wetenschap tegen op.


Noorderlicht






Het Noorderlicht hangt samen met uitbarstingen op de zon, waarbij grote hoeveelheden elektrisch geladen deeltjes naar alle kanten het heelal in geslingerd worden. Het aardmagnetisch veld zorgt ervoor dat de deeltjesstroom in de omgeving van de aarde worden afgebogen en in de buurt van de Noord- en Zuidpool met een snelheid van 1600 km/sec de atmosfeer binnen kan dringen. De deeltjes bevatten veel energie, die in de bovenste kilometers van de atmosfeer door botsingen wordt overgedragen op zuurstof- en stikstofmoleculen op 80 tot 1000 kilometer hoogte. Door de grote extra hoeveelheid energie raken de moleculen als ware uit balans. Om weer in balans te geraken wordt er energie afgestaan in de vorm van een kleurige lichtflits. De soort kleur hangt af van het soort deeltje waarop het elektron botst en van de luchtdruk waarbij de botsing plaatsvindt. Een lage druk met zuurstof geeft geelgroen en bij een nog lagere druk rood. Een botsing met deeltje stikstof geeft een blauwe kleur. Omdat de lucht natuurlijk niet overal de zelfde druk heeft en altijd een mengsel is van zuurstof en stikstof (met hier en daar op deze hoogte nog wat anders) ontstaan vele variaties, van fletsgroen tot en met purperpaars. Omdat de deeltjes in golven de atmosfeer doordringen en zich richten naar het magnetisch veld ontstaan bewegende bogen, stralenbundels of schuivende gordijnen van licht, maar vaker is het een lichte kleurige gloed. Het maakt van Noordelicht (wat overigens op de zuidpool anders heet) een magisch schouwspel.

veldgegevens






Bij het bestuderen van flora en fauna in een natuurgebied of je achtertuin is een notitieblok natuurlijk een onmisbaar artikel. Het wordt met ieder veldbezoek (of lekker op expeditie in de tuin) weer verder gevuld met waarnemingen en kennis over het bestudeerde fenomeen. Dat maakt ze waardevolle documenten. Nu kun je natuurlijk heel droog lijstjes met namen maken, netjes met datum, coördinaten en de weersomstandigheden, maar dat is niet iets waar mensen over een eeuw nog naar omkijken. Wat dat betreft had Leonardo Da Vinci het beter bekeken. Hij maakte bij zijn aantekeningen schema's en tekeningetjes die soms grof en soms juist verfijnd waren. Dat (samen met de vooruitziende blik van deze genie) maakt dat ze nu nog steeds bestudeerd worden. Een ander mooi voorbeeld is William D. Berry (1926-1979) Hij maakte in Alaska een hele serie kleine schetsen van wilde zoogdieren zoals beren (zie hierboven) en wolven met daarbij zijn bevindingen over het gedrag van deze wilde dieren. Door de tekeningen gaat het verhaal erbij leven. Het mooie van tekeningetjes is dat de tekenaar de nadruk kan leggen op juist datgene dat hem opviel bij zijn observatie. De ene keer is dat een dikke wintervacht, de andere keer een bijzondere pose of karakteristieke gezichtsuitdrukking. Het maakt dat je meegenomen wordt in een wereld die enkel een goed observator voor je kan ontsluiten, een wonderlijke wereld.

memo pad apple





Geen idee wie deze geniale fruitige memoblaadjes bedacht, maar ik vind ze zo leuk dat ik ze toch in mijn verzameling wil hebben. Naast pear nu ook in apple.





levensechte anatomische gezichtsreconstructie





Het is bizar hoe raar we soms tegen de wereld aankijken. Zo heb ik ooit gedacht dat alle mensenschedels hetzelfde waren, net zoals alle poezenschedels, kraaienschedels en vossenschedels. Maar dat klopt dus niet. Ieder schedel is uniek, want ieder individu is verschillend. Je moet echter goed weten waar je op moet letten om het aan een losse schedel te kunnen zien. Daarmee komen we op het vakgebied van de fysische antropologie. Bij dit vakgebied staat de mens in al zijn verschijningsvormen centraal. Een gedeelte van deze wetenschappelijke tak van sport maakt reconstructies op basis van schedels en ander botmateriaal. Heel interessante kost. Voor er daadwerkelijk een reconstructie plaats kan vinden is het belangrijk de leeftijd en het geslacht te bepalen. De leeftijd is voor een groot deel af te lezen aan het botweefsel van de fontanellen en de staat van (de botafbraak rond) het gebit. Met het geslacht is het net wat moeilijker. Uit vergelijkingen is gebleken dat schedels van mannen en vrouwen op meerdere punten verschillen. Zo hebben mannen gemiddeld gezien vaker een wat schuin verlopend voorhoofd en zijn wat robuuster gebouwd boven de neus en qua wenkbrauwen. Verder is de schedel bij de man vaak groter en zwaarder, bezit robuustere spieraanhechtingsplaatsen en maakt vaak een kantigere indruk dan de schedel van een vrouw. Uit heel veel vergelijkend onderzoek hebben wetenschappers in kaart gebracht wat voor huiddikte een bepaalde leeftijd en etnische groep gemiddeld heeft. Dit zegt natuurlijk nog niets over een individu, maar ook hier hebben de meester-vergelijkers iets op gevonden. De afwijkingen in botten en schedels geven minieme aanwijzingen over hoe iemand leefde. Een veelvraat krijgt daardoor bij een reconstructie meer gezichtsvet op de spieren dan iemand die duidelijk groeiproblemen had. En daarmee zijn we eigenlijk aangekomen bij het eerste wat aangebracht wordt bij een reconstructie; de spieren.

Alle dertig spieren uit een gezicht hebben twee aanhechtingsplaatsen en een vaste opbouw waarin ze in het gezicht voorkomen. Al deze spieren kunnen zich onafhankelijk van elkaar samentrekken. Aan de aanhechtingspunten (ruwere plekken) op de schedel kun je zien waar de gezichtsspieren waren aangehecht, hoe groot ze waren en hoe ze liepen. Degene die de reconstructie maakt moet daarom heel goed weten hoe een gezichtspier loopt en wat de dikte is om er daadwerkelijk iemand met een gezichtsuitdrukking van te maken. Hiertoe worden de spieren van binnen naar buiten weer terug aangebracht met boetseerklei. Doordat de aanhechtingsplaatsen van geen enkel schedel gelijk zijn ontstaat er iedere keer weer iets unieks. Naast de aanhechtingsplaatsen van de spieren wordt er ook gekeken naar de vorm van de oogkassen, de jukbeenderen en de kin. Het gebit kan informatie opleveren over de vorm van de lippen. De vorm van de neusholte levert vervolgens informatie over de lengte en breedte van de neus. Daar waar het verlengde van de neusbrug en het verlengde van het onderste uitsteeksel in de neusholte elkaar raken is het puntje van de neus. De breedte van de neus kan bepaald worden door ongeveer 3/5 van de lengte van de totale neuslengte te nemen. De neusgaten bepalen een belangrijk deel van de uitstraling van de neus, maar juist dat deel is niet goed te herleiden. Gokken dus. Het blijft sowieso een gok omdat de neus net zoals de oren uit zacht materiaal bestaan. Toch zijn bepaalde dingen meestal wel in verhouding, zoals het feit dat de oren meestal net zo groot zijn als de neus hoog.

Nu de spieren hun plek hebben kan er een huid overheen. Met houten pinnen op het schedel van een paar millimeter wordt de huiddikte aangeven. Deze is dun op het voorhoofd en wat dikker op de wangen, afgewerkt met wat echte huidstructuur. In dit stadium komt ook de verbeelding naar boven. Had de persoon in kwestie (lach)rimpels, littekens, een pukkel, een baard of alles in een? En welke kleur was het (gezichts)haar als daar niet iets over bekend is? Wat was de kleur van de ogen? Geen idee natuurlijk, maar toch ook wel. Uit gegevens hoe de persoon leefde kun je wel iets afleiden en de meeste mensen uit Afrika bijvoorbeeld hebben bruinzwart haar. Het (met de hand) aanbrengen van dat haar kan overigens wel ruim drie dagen duren. Maar ja, als je iets reconstrueert wat tienduizenden jaar oude botten weer een gezicht geeft, kunnen die drie dagen er ook nog wel vanaf. Zeg nou zelf, een onbehaarde Neanderthaler is toch geen gezicht?

Er zijn niet veel mensen die dit speciale, meesterlijke beroep uitoefenen. We kunnen in Nederland trots zijn dat we enkele mensen hebben die dit werk zó goed in de vingers hebben dat ze van over de hele wereld gevraagd worden voor hun levensechte (pre)historische reconstructies. Het werk van de gebroeders Kennis (en ja, ze hebben er zeer duidelijk verstand van) is te vinden over de hele wereld, maar ook op hun website: http://www.kenniskennis.com/site/Home/

Het gebruikte beeld bij dit verhaal is de ruwe versie van de reconstructie die de gebroeders Kennis maakten van Ötzi. Je kent 'm wel; Ötzi de ijsman.


Marmer






Marmer is maar een vreemde steensoort. Beter nog het is eigenlijk geen steensoort, maar een hele familie van steensoorten die wel iets gemeen hebben als je hun eigenschappen bekijkt. Bijna allemaal hebben ze een kalksteen oorsprong, die door druk, warmte en chemische processen vervormd is naar een harde en goed te polijsten steensoort waar de marine oorsprong van het kalksteen niet meer in te herkennen is. Dat laatste is ook meteen een verschil met de steensoort graniet, waar de zeedieren vaak nog herkenbaar zijn. Marmer krijgt z'n kleur door de verschillende ingesloten metalen en de net-achtige dooradering ontstaan door vervuilingen in het marmer zoals minerale verontreinigingen zoals klei, slib, zand en metaaloxiden. Omdat de samenstelling van het kalksteen niet overal hetzelfde is geweest en ook het vormingsproces verschillend is verlopen zijn er zeer veel verschillende soorten marmer ontstaan. Dit loopt van puur effen wit tot veelkleurig en van egaal gesteente tot een ogenschijnlijke brokkelige structuur. Door de eigenschappen van het marmer is het al erg lang gebruikt als bouwmateriaal en om de meest prachtige kunstwerken van te maken. 
Wat gewild is is uiteraard niet goedkoop en marmer is niet zomaar overal voorradig. Omdat de prijs vaak niet overeen kwam met het budget van diegene die graag marmer wilde hebben (bijvoorbeeld voor de stoffering van z'n kasteel) werden er ook alternatieven bedacht. Dit resulteerde in een bijzondere schildertechniek waarbij alle gewilde steensoorten op hout werden gekopieerd. Er werd dus heel wat afgemarmerd. Natuurlijk was dit geschilderde marmer niet geschikt voor de buitenboel of op de vloer, maar voor de rest was het zeer goed toe te passen. Bovendien is een hout-marmeren binnenmuur warmer dan zijn steen-marmeren equivalent. Ook kun je bij een nieuwe modegril waarvoor al je marmer zomaar een andere kleur moet krijgen beter de verfkwast dan het breekijzer hanteren. Toch gaat er niets boven het origineel dat door z'n kristalstructuur een soms bijna transparante lichtval heeft waar gemarmerde oppervlakken enkel duf glanzen. In een treffen tussen marmer en gemarmerd (hoe mooi het laatste ook kan ogen) is wat mij betreft marmer keihard de winnaar.

Jachtig





Wat je ook van jagen vindt, het is een bezigheid met diepgewortelde tradities. Veel van de gebruiken rondom de jacht zijn ontstaan in de middeleeuwen. Ik las ergens dat in de middeleeuwen de jacht wordt gekenmerkt door symboliek, ridderlijkheid en sportiviteit, met het accent op drie begrippen: opsporen, opjagen en doden. Dat klinkt mooi, maar het is maar een kleine groep aristocraten die er van profiteert en daarnaast ook nog de zeggenschap heeft over een grote massa lijfeigenen en boeren. Die laatste bewerken de akkers en moeten niet alleen het grootste deel van de opbrengst aan de eigenaar afdragen, maar ook zijn rechten respecteren, zoals bijvoorbeeld het jachtrecht, visrecht, maalrecht en tolrecht. Het recht op de jacht wordt streng gehandhaafd, zo streng dat de belangen van het wild en van de jacht soms boven die van de voedselproductie worden gesteld. Dat gaat zelfs zo ver dat boeren niet het recht hebben om het wild, dat schade aanricht, van de akkers te verjagen en ze moeten aanzien dat adellijke jachtgezelschappen tijdens de jacht op hun paarden dwars door de ingezaaide velden denderen. De tegenstellingen zijn heel groot: terwijl lijfeigenen en boeren honger lijden, leven adel en geestelijkheid in decadente luxe. De geestelijkheid mag officieel niet deelnemen aan de jacht, maar is toch steeds present bij jachtpartijen en heeft niet zelden zelf uitgebreide jachtrechten in haar bezit. Waar het plebs op een houtje bijt verandert voor de aristocratie de noodzaak om te jagen in een stijlvol tijdverdrijf, dat zich tot een ware kunst ontwikkelt. Een kunst met regels en etiquette, met pracht en praal, met paarden en meutes (honden en of mensen), met netten, (kruis)boog, speren of zwaarden en uiteraard met valken. 
Bij vrijwel alle vormen van de middeleeuwse jacht spelen honden een belangrijke rol. Jachthonden moeten aan een aantal eisen voldoen: een goed reukvermogen hebben, moedig genoeg zijn om dieren te stellen (op de plaats houden) en blaffend aangeven waar ze zich bevinden), aan te vallen of te doden en een groot uithoudingsvermogen hebben om het wild langdurig te kunnen achtervolgen. De middeleeuwse jagers werkten het liefste met een gevlekte hond, zodat deze niet voor wild aangezien kon worden. Echte rassen zijn er in de middeleeuwen nog niet, maar zeker is dat door het fokken en selecteren van de meest geschikte honden een groot aantal rassen van onze huidige trouwe viervoeter zijn ontstaan. Als het gaat om het jachtrecht is aan de adel het recht op de jacht op groot wild voorbehouden (de zogenaamde hoge jacht). Lagere standen mogen onder voorwaarden op konijnen, hazen en veerwild jagen (de lage jacht). Er bestaat een opsomming uit 1502 van het te bejagen wild: Conijnen, Hasen, Perdrijzen, Fesanen, Putoren, Moerhoenderen, Cranen, Swanen, Reyghers, Quacken, Schollevaars en Lepelaars. Daarbij komen dan nog het wilde varken, edelhert en ree. De uitvinding van het buskruit en de komst van de eerste vuurwapens maken een einde aan de middeleeuwse jacht, maar niet aan de in deze tijd opgebouwde tradities. Deze leven nog altijd voort in de jachtige tijd van nu.





Related Posts with Thumbnails